Binnenstad

binnenstadDe binnenstad wordt begrensd door de Turfsingel, Kattensingel, Blekerssingel, Fluwelensingel en de Hollandsche IJssel. Het gebied telt vier buurten: Nieuwe Markt, De Baan, Turfmarkt en Raam met hun omgeving. In deze waterrijke omgeving werden de eerste hofsteden opgetrokken en een versterking aangelegd, na verloop van tijd gevolgd door gebouwen voor gemeenschappelijke doeleinden: een kerk, gasthuis, klooster, stadhuis en school. Het aantal inwoners binnen de singels fluctueerde sterk in de loop der eeuwen. Na de Tweede Wereldoorlog, toen het karakter van de historische binnenstad veranderde en er veel nieuwe woningen buiten de singels werden gebouwd, vond een ware uittocht plaats. Woonden er in 1945 nog tegen de 10.000 Gouwenaars in de binnenstad, in 2012 was het aantal inwoners daar teruggelopen tot ruim 5000.stjan

Dit boekdeel bestaat uit 5 hoofdstukken, te weten:

Stad in opbouw (1100 – 1572); Stad in beweging (1572 – 1817); Bedrijvige stad (1817 – 1960); Diverse stad (1960 – 2012); Samenvatting

Een klein stukje ontstaansgeschiedenis:

Stad in opbouw (1100-1572)

Herkomst straten- en grachtenpatroon
Drie prestedelijke elementen: de ontginningen, de Gouwe en het hof van de heren Van der Goude bepaalden de ruimtelijk structuur van de binnenstad. De verkaveling ten zuiden van de (Lange) Tiendeweg, onderdeel van de ontginning Ouwe Gouwe, was gericht op de Hollandsche IJssel. Van de ontginning Bloemendaal was de verkaveling op de Gouwe georiënteerd. Beide ontginningen kwamen bij elkaar op het marktveld, dat eeuwenlang een laaggelegen, drassig en daardoor onbebouwd deel van de stad bleef. Het patroon van smalle, diepe percelen land, gescheiden door sloten, tekent zich ook nu nog af in het straten- en grachtenpatroon van de stad. Kolonisten beschikten over de kennis en ervaring om de woeste gronden te bewerken. Zij waren afkomstig uit Zuid-Holland, Kennemerland – hieraan herinneren nog enkele ‘veldnamen’ (Bloemendaal, Kort Haarlem, Vogelenzang) – en Friesland.

Gouda rond 1250 met als ondergrond de bestaande stad. (© 2010 Henkjan Sprokholt)

Hof van de heren Van der Goude
Rond 1150 legden de heren Van der Goude nabij de Gouwe een hof aan met daarop hun verblijven, enkele boerderijen met stallen, schuren en hooibergen, een paardenwed en een boomgaard. Ten westen van de hof stichtten zij een kapel, omgeven door een gracht (kerkring). De kapel is de voorganger van de Sint-Janskerk. Ter verdediging van hun bezittingen bouwden de Van der Goude’s een motte, een kunstmatig opgeworpen steile heuvel met daarop een houten of stenen verdedigingswerk. De motte of vluchtburcht was omgeven door een ringgracht, voorzien van een ophaalbrug.

Nadat de Gouwe was doorgetrokken naar de Oude Rijn en de eerste schepen dit traject bevoeren, ontwikkelde zich ten zuidwesten van de motte een voorhofstede. Op dit enigszins verhoogde terrein vestigden zich de eerste handelaren en ambachtslieden, onder meer afkomstig uit de nederzetting in Bloemendaal. Zij bouwden er hun huizen, bergruimten en werkplaatsen. Ook was er een gastenverblijf, de voorloper van het Catharina Gasthuis, waar reizigers gedurende een korte tijd onderdak konden vinden. Het gastenverblijf beschikte over een eigen kapel. Omstreeks 1250 werd in samenhang met de aanleg van de Haven de Donkere Sluis gebouwd. Deze keersluis voorkwam dat bij vloed het water uit de Hollandsche IJssel onbeperkt de Gouwe binnenstroomde en zo het omringende land onder water zette. Ook werd de Haven van dijken voorzien. Vandaar de nog heden ten dage relatief hoog gelegen Oost- en Westhaven.

Rond 1300 raakte de motte verouderd en plaatste men op de heuvel een molen. In 1368 werd deze molen afgebroken, gevolgd door het afgraven van de heuvel. Dwars over de afgegraven motte werd de Molenwerf aangelegd, die een rechtstreekse verbinding vormde tussen de Oosthaven en de Spieringstraat. Om deze doorbraak tot stand te brengen, moest aan de Oosthaven een huis worden afgebroken.

Lees verder in deel I Stad van de Gouwenaars