Ouwe Gouwe

Ouwe Gouwe is de buurt direct ten noorden van de spoorlijn, begrensd door de Ridder van Catsweg in het westen, de Omloopwetering in het noorden en de Breevaart in het oosten. Tot Ouwe Gouwe wordt in dit hoofdstuk ook de buurt Statensingel gerekend. Het stadsdeel behoort tot de wijk Noord, waarvan ook de buurten Wethouder Venteweg en Achterwillenseweg, Slagenbuurt, Middenwillens en De Goudse Hout deel uitmaken.

De gronden tussen de Graaf Florisweg en de Omloopwetering zijn pas in 1823 aan het grondgebied van Gouda toegevoegd. Tot dat jaar behoorde alleen het gebied bezuiden de Graaf Florisweg tot de gemeente Gouda.

De buurt die hier na de oorlog z’n beslag kreeg, werd aanvankelijk niet Ouwe Gouwe, maar Gouda Noord genoemd. Deze naam draagt dit stadsdeel in de volksmond nog steeds.

Ouwe Gouwe tot de negentiende eeuw

De ontginning

De naam van de buurt is ontleend aan de ontginning Ouwe Gouwe, die op zijn beurt z’n naam dankt aan het oorspronkelijke veenriviertje dat de ontginning gedeeltelijk omgrensde. Ook de huidige Graaf Florisweg droeg vóór 1903 de naam Ouwe Gouwe. De ontginning Ouwe Gouwe dateert van vóór het jaar 1100. Het is waarschijnlijk een zelfstandige ontginning geweest, direct westelijk van en aansluitend op de ontginning Willens. Ouwe Gouwe strekte zich uit van de Hollandsche IJssel tot de huidige Omloopwetering. Deze wetering vormt de oorspronkelijke loop van het veenriviertje met de naam Ouwe Gouwe. De ontginning kwam in drie fasen tot stand. Het oudst is het zuidelijke deel dat zich uitstrekt van de Hollandsche IJssel tot de zuidelijke kade langs de Karnemelksloot, die er de achterkade van vormde. Later werd dit een begaanbare weg, een tiendweg. Deze achterkade vormde de basis voor de ontginning van het middendeel tot de huidige Graaf Florisweg als tweede achterkade, later eveneens een tiendweg. Deze tweede kade vormde op zijn beurt de basis voor de ontginning van het noordelijke deel dat zich uitstrekt tot de Omloopwetering.
Tot het midden van de negentiende eeuw vormden de gebieden ten oosten van de oude stad één samenhangend geheel, slechts van west naar oost doorsneden door de beide tiendwegen. De aanleg,  in 1855, van de spoorbaan Gouda-Utrecht veroorzaakte een nieuwe doorsnijding. Het deel van de ontginning benoorden de spoorbaan vormt thans de buurt Ouwe Gouwe, met inbegrip van de buurt Statensingel.

De ontginning Ouwe Gouwe – Tekening: Wendy Scherpenisse

Tot deze ontginning behoorde ook een smalle strook van ongeveer één hoeve (circa 112 meter) breed, over de gehele lengte van de grens met de ontginning Willens, dus van de Hollandsche IJssel tot aan de Omloopwetering. Deze strook droeg de naam Kort Haarlem, mogelijk omdat de ontginners daarvan uit het Kennemerland afkomstig waren. In dit stadsdeel is die strook, gelegen tussen de Breevaart en de Bodegraafsestraatweg, nog zeer goed herkenbaar. Al snel na de ontginning trad door ontwatering en oxidatie van de veenbodem een maaivelddaling in, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Binnen enkele eeuwen was het hier zó dras, dat de grond vrijwel ongeschikt was geworden voor de verbouw van gewassen, en in feite alleen nog te gebruiken was voor het weiden van vee. Het maaiveld lag hier slechts enkele decimeters boven het grondwaterpeil.

De weteringen uit het midden van de veertiende eeuw
Door de lage waterstanden als gevolg van de afdamming in 1291 was de Hollandsche IJssel bijzonder geschikt geworden voor de afwatering van de omliggende ontginningen. Ook voor de ontginningen die wat verderop lagen bood deze rivier zeer goede mogelijkheden. Dat was de reden waarom tussen 1335 en 1370 verschillende afwateringskanalen werden gegraven vanaf de  inmiddels ingepolderde ontginningen langs de Oude Rijn en de Gouwe naar de Hollandsche IJssel. Deze kanalen mondden aan weerszijden van het oorspronkelijke Gouda in de rivier uit. Niet alleen was bij Gouda de afstand tussen de ontginningen en de rivier het kleinst, bovendien kon hier nog  juist gebruik worden gemaakt van de getijdenwerking.

De weteringen aan weerskanten van de oude stad – Tekening: G.P. van de Ven (ed.), Leefbaar Laagland

Aan de oostzijde van de stad betrof het vier weteringen, waarvan er drie ook in het stadsdeel Ouwe Gouwe lagen. Twee daarvan, namelijk de Boskoopse Wetering (vanuit de ontginning Boskoop) en de Alphens (ten behoeve van de ontginning bij Alphen aan de Rijn), lagen ter weerszijden van de huidige Bodegraafsestraatweg. De bestaande sloten, ook die aan de oostzijde van de rooms-katholieke begraafplaats, herinneren hier nog aan. Dit deel van de Bodegraafsestraatweg ligt van oorsprong op de kade tussen de beide weteringen. De derde watergang, namelijk de Reeuwijkse Watering die sinds 1600 de naam Breevaart draagt, ligt aan de oostzijde van de strook Kort Haarlem, nabij de grens met de ontginning Willens. De drie watergangen mondden in de Hollandsche IJssel uit via spuisluizen. De spuisluis in de Breevaart droeg de naam Vuilebrassluis. De betekenis van deze weteringen nam al snel af. De Hollandsche IJssel begon na de afdamming in hoog tempo te verlanden en verloor daardoor al gauw zijn aantrekkelijkheid voor de afvoer van het polderwater. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw was het dan ook met de natuurlijke afwatering in deze omgeving vrijwel gedaan en werd in toenemende mate gebruik gemaakt van windmolens. De ontginningen in de nabijheid van de Oude Rijn en de Gouwe konden nu met behulp van windkracht weer op deze rivieren afwateren. De Boskoper Wetering en de Alphens verloren daarmee hun functie als afwateringskanaal. Bezuiden de spoorbaan is er niets meer van terug te vinden. En in het stadsdeel Ouwe Gouwe zijn die weteringen gedeeltelijk onderbroken en voor het overige ingepast in het stedelijke weefsel. Ook het gedeelte van de Breevaart dat ten zuiden van de Karnemelksloot lag, is gedempt. Maar op de grens van de stadsdelen Ouwe Gouwe en Achterwillens is dit water nog volop aanwezig.

Foto: Nico J. Boerboom Restant van de Boskoper Wetering langs de Bodegraafsestraatweg

 Lees verder in deel 3 van Stad van de Gouwenaars