Kort Haarlem

Kort Haarlem is de stadswijk die direct tegen de zuidoostzijde van de binnenstad aanligt. De wijk wordt begrensd door de Karnemelksloot in het noorden, de Joubertstraat in het oosten, de Goejanverwelledijk in het zuiden en de Fluwelensingel in het westen.

Kort Haarlem ligt in het zuidelijke deel van een ontginning uit de elfde eeuw, die strekt vanaf de Hollandsche IJssel in het zuiden tot op de Omloopwetering in het noorden. Mogelijk betrof het ‘t westelijke deel van de ontginning Willens, maar waarschijnlijker is, dat het een zelfstandige ontginning betrof die de naam Ouwe Gouwe droeg.

Het Zoutmanplein in de Sint Josephbuurt – Foto: Nico J. Boerboom

De wijk dankt zijn naam aan de landstrook Kort Haarlem die globaal tus­sen de Van Middelantstraat en de Krugerlaan lag. Er wordt wel verondersteld dat zich hier na de Kennemeropstand van 1274 een aantal kolonisten uit de omgeving van Haarlem heeft gevestigd.

Het grootste deel van de gronden onder de wijk Kort Haarlem is pas bij de grenswijzigingen van 1837 en 1870 bij de gemeente Gouda gekomen. Daarvóór behoorden deze gebieden tot de gemeente Stein, die in 1870 werd opgeheven.

Dit boekdeel heeft 6 hoofdstukken, te weten:

  • Kort Haarlem vóór de verstedelijking tot 1880; Het begin van de verstedelijking in
  • Kort Haarlem (1880 – 1918); De definitieve realisering van Kort Haarlem (1918 – 1940);
  • Kort Haarlem tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog (1940 – 1970);
  • Recenteontwikkelingen (1970 – 2013);
  • Samenvatting.

Een inkijkje in dit boekdeel:

Kort Haarlem vóór de verstedelijking, tot 1880

Kort Haarlem omstreeks 1560
De minuutkaart van Jacob van Deventer uit circa 1560 geeft de eerste details weer van het gebied waarin later de buurt Kort Haarlem zou ontstaan. Die details stemmen vrij goed overeen met de huidige situatie. De kaart toont in de eerste plaats de Hollandsche IJssel met daarlangs de Goejanverwelledijk, die in het begin van de dertiende eeuw tot stand kwam. De dijk brak herhaalde malen door, met als gevolg dat er verschillende diepe binnendijkse wielen ontstonden, zoals de op de kaart zichtbare wiel aan de huidige Cronjéstraat. De wiel heeft geen officiële naam, maar wordt in de volksmond ‘De Kolk’ genoemd.

Uitsnede uit de minuutkaart van Jacob van Deventer 1560

Men herkent ook de oude tiendweg, de huidige zuidelijke kade langs de Karnemelksloot. Over het water van de singel ligt een eerdere variant van de huidige Tiendewegbrug. En een eindje zuidelijker ligt een voorloper van de Doelenbrug. Aan de buitenzijde daarvan is een steegje te zien dat na enkele tientallen meters naar het zuiden afbuigt en vervolgens doodloopt. Het lijkt het allereerste begin te zijn van de huidige Burgemeester Martensstraat.

Op deze minuutkaart zijn ook vier uit circa 1350 daterende weteringen aan de oostzijde van de stad aangegeven. Van west naar oost zijn dat de Kolfwetering en verderop de Boskoper Wetering, de Alphens en de Reeuwijkse Watering. Alle vier mondden ze via spuisluizen uit op de Hollandsche IJssel. De Kolfwetering, die verder naar het noorden Jan Verzwollewetering werd genoemd, diende voor de ontwatering van de polder Bloemendaal. De Reeuwijkse Watering, later Breevaart genaamd, had eenzelfde functie voor enkele polders in het Reeuwijkse. De Boskoper Wetering en de Alphens liepen kilometers ver naar het noorden door en zorgden voor de natuurlijke afwatering van enkele polders bij Boskoop en Alphen aan den Rijn. Rond  1560 hadden de beide laatstgenoemde watergangen al veel van hun betekenis verloren. Omstreeks een eeuw daarvóór had de introductie plaats gevonden van de wind-watermolen, zodat al spoedig overal in deze regio het polderland met molens werd bemalen. Door deze ontwikkeling konden de polders aan de Oude Rijn en de Gouwe hun water efficiënter op de desbetreffende rivieren lozen. In de tijd van Jacob van Deventer blijken die oude weteringen nog goeddeels aanwezig te zijn. De kaart toont ook de Haastrechtsebrug, op de plaats waar die tot het midden van de vorige eeuw heeft gelegen. Deze brug heeft een lange geschiedenis. Al aan het eind van de elfde eeuw lag er in Haastrecht een veer over de Hollandsche IJssel. De rechten op dit veer werden in 1457 verkocht aan de stad Gouda. Deze verbinding tussen de beide oevers van de rivier had aanvankelijk uitsluitend betekenis voor het lokale verkeer. Maar het belang daarvan nam toe. Karel de Stoute ondervond hier in 1466 enig oponthoud tijdens een reis met zijn manschappen door Holland. Daarom liet hij zijn vader Philips de Goede van de stadsregering vorderen dat het veer zou worden vervangen door een brug. Daarbij werd de voorwaarde gesteld dat de brug door schepen met staande mast gepasseerd zou kunnen worden. De ophaalbrug, die het antwoord op deze eis vormde, kwam al het volgende jaar gereed. Vanwege de hoge kosten ervan kreeg Gouda het recht om hier tol te heffen. En, onverwacht, bleken de brug en vooral de tolheffing een groot succes te zijn. Gouda zag zelfs in dat het nóg gunstiger zou zijn als deze verbinding wat dichter bij de stad zou liggen. Daarom werd in 1471 de brug naar Stolwijkersluis verplaatst. Haastrecht hield nog slechts een voetveer over en kreeg pas in 1883 weer een vaste oeververbinding.

De oude Haastrechtsebrug 1890 – 1910        –           Foto SAMH

Kort Haarlem was in de tijd van Jacob van Deventer grotendeels in agrarisch gebruik. Nadat op het einde van de elfde eeuw het gebied ontgonnen was, kon het lange tijd daarna in betrekkelijke rust geëxploiteerd worden. Aanvankelijk vond hier vooral akkerbouw plaats. Men teelde rogge en andere korensoorten, raap- en koolzaad en hennep. Aangezien echter door ontwatering en oxidatie van het veen het maaiveld daalde, werden de landerijen natter en maakte de akkerbouw op den duur plaats voor de veehouderij. Omstreeks 1920: IJspret aan de Kolfwetering met op de achtergrond het treintje naar Schoonhoven Niettemin blijkt dat er rond het midden van de zestiende eeuw een zekere verstedelijking van het gebied buiten de singels had plaats gevonden. Op de kaart van Van Deventer is te zien dat er op diverse plaatsen, met name langs de Fluwelensingel, zelfs sprake was van een aaneengesloten bebouwingswand. Ook langs de tiendweg die van de stad naar de polder  Willens voerde, de latere Karnemelksloot, stond veel bebouwing. Het is verleidelijk om hierin een eerste uitleg van de stad te zien, tussen de singels en de Kolfwetering, zoals ook Amsterdam zijn grachtengordels heeft gekregen. Maar over de aard van deze opstallen buiten de stadsmuren tast men in het duister, omdat ze in het begin van de Tachtigjarige Oorlog werden gesloopt. Toen Gouda in 1572 de zijde van Willem van Oranje had gekozen, moest worden verhinderd dat de Spanjaarden zich in de opstallen zouden kunnen verschansen bij een eventuele belegering van de stad. Voor alle zekerheid werd ook maar de Haastrechtsebrug afgebroken.

Na een sprong in de tijd:

1918 – 1940: De definitieve realisering van Kort Haarlem

De aanleg van de Burgemeester Martenssingel

Pas in 1918, elf jaar na de vaststelling van het Plan van Uitbreiding, werd met de feitelijke realisatie van de Burgemeester Martenssingel aangevangen. Al snel werden toen de bedoelingen van de oorspronkelijke ontwerper duidelijk. Het is een profiel vol romantiek geworden: een gracht in het midden, met aan weerskanten een breed gazon met bomenrijen. Aan beide zijden ligt een tamelijk smalle en daarom niet te drukke éénrichtingsstraat. Daarlangs werden, voor het merendeel in de jaren dertig, vriendelijke, hier en daar zelfs deftige eengezinshuizen ge­bouwd, met royale dakoverstekken en aardige voortuinen met  keurig geknipte ligusterheggen langs de straat. Maar het is niet alleen dit luxe, welhaast on-Goudse straatbeeld dat deze Burgemeester Martenssingel zoveel cachet geeft, het is ook – en misschien wel vooral – de bocht die de singel maakt, zodat de wandelaar voortdurend zicht heeft op de fraaie panden die langs de buitenbocht staan. Bovendien is deze kromming zó vormgegeven dat men nergens tegelijk het begin en het einde van de straat kan ervaren, zodat men al wandelend bijna ongemerkt een kwart van een cirkelboog beschrijft en vanaf de noord-zuid lopende Fluwelensingel opeens blijkt uit te komen op de Karnemelksloot die oost-west loopt en dus haaks op het begin van de wandeling blijkt te staan. Voor wie daar gevoelig voor is, is dit een wonderlijke ervaring. In de huidige situatie heeft niettemin deze prachtige singelboog aan beide einden een erg onbevredigende afloop. Nabij de Fluwelensingel stopt de gracht onverhoeds en zet het profiel zich voort in de verhoudingsgewijs smalle Burgemeester Martensstraat. Maar dit is dan ook niet de oorspronkelijke situatie. Aanvankelijk kwam het water van de Burgemeester Martenssingel op deze plek uit op de toen nog aanwezige Kolfwetering. De langs de Kolfwetering gelegen trambaan kruiste de Burgemeester Martenssingel met een klein viaduct dat vanwege zijn smalle doorgang bekend stond als het Muizengat. Maar de Kolfwetering is in 1938 gedempt en het tramviaduct is kort daarna gesloopt. Zo is deze situatie ontstaan die daarna nooit meer bevredigend is opgelost. Het Muizengat bij de Burgemeester Martensstraat Aan het andere eind, nabij de Karnemelksloot, heeft de Burgemeester Martenssingel een al even merkwaardige beëindiging. Ook hier stopt de gracht en wordt het profiel naar het noorden toe vernauwd. De Burgemeester Martenssingel met de aanliggende straten is in het plan niet recht over de Karnemelksloot doorgetrokken en over het water is slechts een enkel smal bruggetje ontworpen. Misschien heeft de ontwerper rekening willen houden met de hier aanwezige houthandel Vingerling, die in 1913 nog aanzienlijk werd uitgebreid. Maar erg waarschijnlijk is dat niet.

De Burgemeester Martenssingel anno 2012              –                  Foto: Nico J. Boerboom

Lees verder in deel 2 van Stad van de Gouwenaars