Kadenbuurt

De Kadenbuurt is de buurt die direct tegen de noordoostzijde van de binnenstad aanligt. De buurt wordt begrensd door de spoorbaan Gouda – Utrecht aan de noordzijde, de Breevaart aan de oostzijde, de Karnemelksloot aan de zuidzijde, de Blekerssingel in het zuidwesten en de Spoorstraat in het noordwesten.

De buurt ontleent zijn naam aan een aantal hier gelegen kaden. Deels zijn het restanten van oude veenkaden langs inmiddels verdwenen weteringen. Deels zijn ze later aangelegd ter ontsluiting van de Stadstuinen, een gebied van moes- en siertuinen.

Het grootste deel van de gronden onder de Kadenbuurt is pas bij de grenswijzigingen van 1837 en 1870 bij de gemeente Gouda gekomen. Daarvóór behoorden deze gebieden tot de gemeente Stein.

Cornelis Ketelbrug op de hoek van de Karnemelksloot en de Cornelis Ketelstraat – Foto: Nico J. Boerboom

Dit boekdeel heeft 5 hoofdstukken, te weten:

  • De Kadenbuurt vóór de verstedelijking tot ongeveer 1880;
  • De ontwikkeling van buitengebied tot Kadenbuurt (1880 – 1940);
  • Tweede wereldoorlog en wederopbouw (1940 – 1960);
  • Recente ontwikkelingen (1960 – 2012);
  • Samenvatting.

Een stukje geschiedenis van deze bijzondere wijk:
De Kadenbuurt vóór de verstedelijking, tot ongeveer 1880
De ontginning
Het gebied waarin de Kadenbuurt ligt, is omstreeks het einde van de elfde eeuw ontgonnen. Mogelijk betrof het ‘t westelijke deel van de ontginning Willens, maar waarschijnlijker is, dat het een zelfstandige ontginning betrof die de naam Ouwe Gouwe droeg. De ontginning van dit Ouwe Gouwe vond plaats in drie fasen. De eerste fase strekte op vanaf de Hollandsche IJssel en werd afgesloten door een tiendweg, de huidige kade aan de zuidzijde van de Karnemelksloot. De tweede fase betrof het gebied tussen deze tiendweg tot een volgende tiendweg, de huidige Graaf Florisweg. De derde fase strekte op vanaf de Graaf Florisweg tot aan de Omloopwetering. De Kadenbuurt ligt dus in de tweede ontginningsfase, en wel in het zuidelijke deel daarvan, dat in 1855 van het noordelijke deel werd afgesneden door de aanleg van de spoorbaan Gouda – Utrecht.

Kaden als oorsprong van de buurt
Ter oplossing van de ontwateringsproblemen van verschillende polders aan de Gouwe en de Oude Rijn werden omstreeks 1350 oostelijk en westelijk van Gouda diverse weteringen gegraven, die elk via een sluisje uitwaterden op de Hollandsche IJssel. Door de Kadenbuurt liepen de Jan Verzwollewetering, de Boskoper Wetering, de Alphens en de Reeuwijkse Watering, de latere Breevaart. Maar al na korte tijd begon de Hollandsche IJssel te verzanden, zodat de gunstige afwateringsmogelijkheden verloren gingen. Voor de natuurlijke afwatering moest een mechanische in de plaats komen, namelijk de toepassing van windmolens. Hierdoor verloren de weteringen goeddeels hun functie. Binnen de Kadenbuurt verdwenen ze één voor één in de loop der tijd. Enkele van de langs de weteringen gelegen kaden bleven echter bestaan. Al in de veertiende eeuw hadden zich rondom de stad veel kwekers en tuinders gevestigd. Aan de westkant van Gouda concentreerden zich de boomkwekers die hun cultuur later verplaatsten naar Boskoop. In de Kadenbuurt ontstonden de Stadstuinen, een complex van moes- en siertuinen, en later, vanaf 1650, ook van blekerijen. Dit complex werd ontsloten door een aantal nieuw opgeworpen kaden. Het complex vormde eeuwenlang een aantrekkelijk wandelgebied buiten de muren van de stad. Achter de Blekerssingel lag in de vijftiende eeuw al een kade, de huidige Boelekade. Ten oosten daarvan liep de Jan Verzwollewetering. Iets verderop lagen nóg drie kaden: de huidige Eerste, Tweede en Derde Kade. De vermelding van de oorspronkelijke namen van die kaden vond plaats in 1629 in het Verpondingsregister over de ‘Buyten quartieren der Stadt Gouda’. Genoemd werden de Bleyckers Cade (de latere Eerste Kade), de Jacob van Sluijpicx Cade (Tweede Kade) en de Cluysenaars Cade (Derde Kade). Ook bestond er een Bagijnekade, de huidige Vierde Kade, maar die naam is pas te vinden op de kadastrale minuut uit 1832. De kaden hadden een beloop dat tot omstreeks 1950 onveranderd is gebleven.

De Kadenbuurt in 1585
Anders dan de minuutkaart van Jacob Van Deventer geeft de kaart uit de Atlas van Braun en Hoogenberg uit 1585 informatie over de verkaveling en de detaillering van het land tussen de hoofdwatergangen en de landwegen. Helaas is er op deze kaart weinig gebied buiten de stad aangegeven; bovendien is over een deel van de latere Kadenbuurt een legenda en een stadswapen ter versiering aangebracht. Toch verschaft deze kaart nog heel wat nuttige gegevens over het buitengebied van de oude stad. Zo blijkt dat de zone met tuinen en kwekerijen aan de buitenzijden van de singels zeer intensief is verkaveld. Bij de Kadenbuurt blijken er twee rijen kavels achter elkaar te liggen, de tweede ontsloten door de Boelekade. Nabij de latere Karnemelksloot stonden langs de Jan Verzwollewetering en de Kolfwetering palissades met verdedigingstorens. Dergelijke verdedigingsconstructies stonden in die tijd ook aan de westzijde van de oude stad. De palissades zijn in het begin van de zeventiende eeuw gesloopt. Op deze kaart is ook te zien dat er inmiddels ten zuiden van de tiendweg buiten de stad een water, de latere Karnemelksloot is gegraven. Dat gebeurde krachtens een besluit van de vroedschap in 1579. Het stadsbestuur wilde de relatie over water van Gouda met het achterland, met name Bodegraven, Reeuwijk en Stein verbeteren. In feite werd voor deze verbinding van het stadswater met de Breevaart een al bestaande sloot verbreed. Het water heette aanvankelijk ´de nieuwe vaart buiten de Tiendewechspoert´, maar werd in 1597 al Karnemelksloot genoemd. Overigens lijkt het er op, dat in 1585 het laatste stukje van deze verbinding nog moest worden gegraven. Het was nodig om, alvorens een definitieve aansluiting op de Breevaart tot stand te brengen, eerst nog een andere waterstaatkundige maatregel te nemen. Het betrof de aanleg, in 1608, van een dam in de Breevaart, het huidige Reeuwijks Verlaat. Op de kaart blijkt de situatie bij de Kleiwegspoort flink te zijn gewijzigd, kennelijk vooruitlopend op de vernieuwing van deze poort die in 1601 plaatsvond. Over de Blekerssingel is enkele tientallen meters naar het oosten een tijdelijke brug gelegd.

1608: Het Bloemendaals Verlaat
Niet alleen was het wenselijk om de vaarverbinding met Bodegraven, Reeuwijk en Stein te verbeteren, ook bij de inwoners van de polder Bloemendaal bestond behoefte aan een betere verbinding over water met de stad. Daartoe werd in 1608 ter plaatse van de latere Spoorstraat, direct ten oosten van de Kleiweg die naar Bloemendaal voerde, een sluisje aangelegd tussen de Jan Verzwollewetering en de Blekerssingel. Bovendien werd oostelijk van dit Bloemendaals Verlaat, tussen de Boelekade en de Blekerssingel, een sluiswachtershuisje gebouwd. De stadsplattegrond van Joan Blaeu uit 1649 geeft de nieuwe situatie aan ten noorden van de Kleiwegspoort, die overigens blijkens die kaart inmiddels vernieuwd is en weer keurig in het verlengde van de Kleiweg ligt. Gedurende meer dan driehonderd jaar werden via dit druk gebruikte Bloemendaals Verlaat de tuindersproducten aangevoerd die op de groenteveiling aan de Houtmansgracht werden verhandeld. Ook werd door dit sluisje de in Bloemendaal geteelde hennep vervoerd ten behoeve van de touwslagerijen. Het Bloemendaals Verlaat is in 1939 afgebroken om plaats te maken voor de spoortunnel.

Historische foto’s: Streekarchief Midden-Holland

Burghvliet
Een bijzondere oorsprong heeft de Burgvlietkade, die zijn naam dankt aan een buitenplaats, gelegen bij de aansluiting van de desbetreffende kade op de Karnemelksloot. Er hebben rond Gouda verschillende buitenplaatsen gestaan. Maar ze hadden doorgaans niet zo erg veel te betekenen, reden waarom ze inmiddels allemaal verdwenen zijn. In feite vormde Burghvliet daarop geen uitzondering. Maar deze buitenplaats had wel een bijzondere geschiedenis.

Van oorsprong was het een grote boerderij met landerijen die zich uitstrekten tot ver naar het noorden. Die boerderij werd in 1710 door de Goudse burgemeester Arent van der Burgh aangekocht en uitgebouwd tot een buitenverblijf, doch met behoud van de agrarische functie. In het voorhuis ontving Van der Burgh regelmatig een kleine kring van plaatselijke kunstenaars, dichters, musici en wetenschappers. Samen musiceerden en reciteerden zij, of bespraken zij met elkaar de plaatselijke politiek. Bij Burghvliet, waar Van der Burgh zo nadrukkelijk de toon aangaf, dringt zich de vergelijking op met wat zich een eeuw eerder, onder leiding van Pieter Corneliszoon Hooft, op het Muiderslot had afgespeeld. Het kan goed zijn dat Van der Burgh zich hierdoor enigszins heeft laten inspireren. Hoe dan ook, Burghvliet was wel een unicum in de cultuurgeschiedenis van de stad. Na de dood van Van der Burgh was het daarmee echter meteen afgelopen. Het buitenverblijf is tot het begin van de vorige eeuw blijven bestaan, om daarna plaats te maken voor stedelijke bebouwing.

1925: Brug naar de hofstede Burghvliet op de hoek van de Karnemelksloot en de Breevaart. Foto SAMH
De huidige situatie bij het voormalige Burghvliet     –      Foto: Nico J. Boerboom

Lees verder in deel 2 Stad van de Gouwenaars